dinsdag 5 juli 2016

Doelgerichte inzet van technologie

Tijdens een bijeenkomst vanavond voor adviseurs die werkzaam zijn in de verschillende onderwijssoorten werd onder leiding van Michael van Wetering (Kennisnet) besproken hoe het Kennisnet Trendrapport 2016-2017 bij scholen onder de aandacht gebracht en onderwerp van gesprek gemaakt worden. Belangrijkste conclusie was dat inzet van technologie altijd een onderwijskundig doel moet dienen.

De trend is dat het in het onderwijs richting machine-learning gaat waarbij het gebruik van data zal toenemen. Door het leer- en werkgedrag van leerlingen in kaart te brengen kun je deze data gebruiken om deze, vanuit de techniek bezien, intelligent in te zetten. Deze intelligente techniek kan gebruikt worden om gepersonaliseerd leren mogelijk te maken, maar in de hype cycle staat de technologie die daarbij hoort vooraan. De vraag die dan rijst is hoe je met een trend als deze omgaat.

Hype cycle

De hype cycle is een model of instrument waarbij verwachtingen bij een technologie uitzet in de tijd (abstractie van Gardner). Het model is bruikbaar een risico van de inzet van nieuwe technolgie in te schatten: is het verstandig om mee te gaan in een ontwikkeling (levert het nemen van een risico voldoende rendement op)? Levert het voldoende op voor het onderwijs?
Vooraan in de hype cycle ontstaan de nieuwe ontwikkelingen: het onderwijs van de toekomst. Ontwikkelingen in het digitaal leerproces zitten ook nog behoorlijk vooraan en het risico dat deze ontwikkelingen teleurstellingen opleveren is aanwezig. Achteraan in de hype cycle staat het ICT fundament: de reeds uitgekristalliseerde technologie. Met deze technologie aan de slag gaan levert het risico dat investeringen al snel weer verouderd zullen zijn.


Onderwijskundige doelen

Wanneer een school technologie op een goede manier wil inzetten dan is verbinding van de technologie met onderwijskundige doelen noodzakelijk. De hype cycle helpt bij het ophalen van risico-informatie die hiermee gepaard gaat. Het onderwijskundige principe bijvoorbeeld 'differentiatie', dat op zich zelf geen doel is, maar een middel om leerlingen meer op maat te kunnen bedienen. Om dit doel te bereiken zou je gebruik kunnen maken van adaptieve methodes als technologische toepassing. Deze technologie is nog relatief nieuw en staat vooraan in het model (veel risico wanneer je als school hierin investeert).
Een ander voorbeeld van nieuwe technologie: het gebruik van een robot voor de klas (digital study buddy) staat ook voorin (bijvooreeld het NAO-project).
De hype cycle is heel uitdrukkelijk geen ontmoedigend plaatje, maar een dat scholen laat nadenken of een investering verantwoord is.


Nieuwe ontwikkelingen

Een ontwikkeling die al vergevorderd is in termen van implementatie is het voortgagn van leerlingen bepalen aan de hand digitale toetsen. Deze technologie staat echter ook tamelijk vooraan in het model. Dit is pregnant wanneer je bedenkt dat er al toetsen zijn die standaard digitaal worden aangeboden, bijvoorbeeld DTT. Er is nog onvoldoende onderzoek of er verschillen in rendement zijn wanneer je papieren en digitale toetsen met elkaar vergelijkt.  Wat wel bekend is dat de lettergrootte en de positie van illustraties t.o.v. de tekst en schermgrootte van invloed zijn. We moeten goed bekijken of we nu al willen inzetten op digitale toetsen, oftewel afwegen welke risico's we willen nemen.


De gedroomde toekomst

Scholen hebben een eigen uitgangspositie wanneer het gaat om technologische toepassingen in het onderwijs. Wat voor de een 'old school' is kenmerkt de ander als 'science fiction'. Het bepalen hoe een onderwijskundig doel past binnen de hype cycle is dan ook voor elke school anders, maar ze hebben gemeenschappelijk dat de doelen leidend zijn.
Wat helpt bij het scherp krijgen van de onderwijskundige behoefte of vraag die onder een technologische wens zit is het beschrijven hoe de school eruit zal zien wanneer de technologie succesvol is ingezet. Wat is er dan anders? Wat is er beter? En wie zijn erbij gebaat?

Welke betekenis geven we aan dit alles? Mijn reflectie: elke school die technologie in het onderwijs een prominentere plek wil geven moet heel scherp krijgen met welke bedoeling ze dat wil doen. In het onderwijs kun je sommige risico's maar beter (nog even) uit de weg gaan.



Prezi van Michael is te vinden via deze link. 

Doelgerichte inzet van technologie

Tijdens een bijeenkomst vanavond voor adviseurs die werkzaam zijn in de verschillende onderwijssoorten werd onder leiding van Michael van Wetering (Kennisnet) besproken hoe het Kennisnet Trendrapport 2016-2017 bij scholen onder de aandacht gebracht en onderwerp van gesprek gemaakt worden. Belangrijkste conclusie was dat inzet van technologie altijd een onderwijskundig doel moet dienen.

De trend is dat het in het onderwijs richting machine-learning gaat waarbij het gebruik van data zal toenemen. Door het leer- en werkgedrag van leerlingen in kaart te brengen kun je deze data gebruiken om deze, vanuit de techniek bezien, intelligent in te zetten. Deze intelligente techniek kan gebruikt worden om gepersonaliseerd leren mogelijk te maken, maar in de hype cycle staat de technologie die daarbij hoort vooraan. De vraag die dan rijst is hoe je met een trend als deze omgaat.

Hype cycle

De hype cycle is een model of instrument waarbij verwachtingen bij een technologie uitzet in de tijd (abstractie van Gardner). Het model is bruikbaar een risico van de inzet van nieuwe technolgie in te schatten: is het verstandig om mee te gaan in een ontwikkeling (levert het nemen van een risico voldoende rendement op)? Levert het voldoende op voor het onderwijs?
Vooraan in de hype cycle ontstaan de nieuwe ontwikkelingen: het onderwijs van de toekomst. Ontwikkelingen in het digitaal leerproces zitten ook nog behoorlijk vooraan en het risico dat deze ontwikkelingen teleurstellingen opleveren is aanwezig. Achteraan in de hype cycle staat het ICT fundament: de reeds uitgekristalliseerde technologie. Met deze technologie aan de slag gaan levert het risico dat investeringen al snel weer verouderd zullen zijn.


Onderwijskundige doelen

Wanneer een school technologie op een goede manier wil inzetten dan is verbinding van de technologie met onderwijskundige doelen noodzakelijk. De hype cycle helpt bij het ophalen van risico-informatie die hiermee gepaard gaat. Het onderwijskundige principe bijvoorbeeld 'differentiatie', dat op zich zelf geen doel is, maar een middel om leerlingen meer op maat te kunnen bedienen. Om dit doel te bereiken zou je gebruik kunnen maken van adaptieve methodes als technologische toepassing. Deze technologie is nog relatief nieuw en staat vooraan in het model (veel risico wanneer je als school hierin investeert).
Een ander voorbeeld van nieuwe technologie: het gebruik van een robot voor de klas (digital study buddy) staat ook voorin (bijvooreeld het NAO-project).
De hype cycle is heel uitdrukkelijk geen ontmoedigend plaatje, maar een dat scholen laat nadenken of een investering verantwoord is.


Nieuwe ontwikkelingen

Een ontwikkeling die al vergevorderd is in termen van implementatie is het voortgagn van leerlingen bepalen aan de hand digitale toetsen. Deze technologie staat echter ook tamelijk vooraan in het model. Dit is pregnant wanneer je bedenkt dat er al toetsen zijn die standaard digitaal worden aangeboden, bijvoorbeeld DTT. Er is nog onvoldoende onderzoek of er verschillen in rendement zijn wanneer je papieren en digitale toetsen met elkaar vergelijkt.  Wat wel bekend is dat de lettergrootte en de positie van illustraties t.o.v. de tekst en schermgrootte van invloed zijn. We moeten goed bekijken of we nu al willen inzetten op digitale toetsen, oftewel afwegen welke risico's we willen nemen.


De gedroomde toekomst

Scholen hebben een eigen uitgangspositie wanneer het gaat om technologische toepassingen in het onderwijs. Wat voor de een 'old school' is kenmerkt de ander als 'science fiction'. Het bepalen hoe een onderwijskundig doel past binnen de hype cycle is dan ook voor elke school anders, maar ze hebben gemeenschappelijk dat de doelen leidend zijn.
Wat helpt bij het scherp krijgen van de onderwijskundige behoefte of vraag die onder een technologische wens zit is het beschrijven hoe de school eruit zal zien wanneer de technologie succesvol is ingezet. Wat is er dan anders? Wat is er beter? En wie zijn erbij gebaat?

Welke betekenis geven we aan dit alles? Mijn reflectie: elke school die technologie in het onderwijs een prominentere plek wil geven moet heel scherp krijgen met welke bedoeling ze dat wil doen. In het onderwijs kun je sommige risico's maar beter (nog even) uit de weg gaan.



Prezi van Michael is te vinden via deze link. 

woensdag 15 juni 2016

Doelgerichte inzet van ICT werkt wél

Tijdens de onderzoeksconferentie van Kennisnet en NRO vandaag in Amersfoort werden resultaten gepresenteerd van onderzoek dat gedaan is naar effectiviteit van ICT in het onderwijs. Een volle zaal onderwijsmensen die meer wilden weten over dit onderwerp.

De opzet van de conferentie was veel 'zitten&luisteren' met ondersteunende presentaties. Opvallend wanneer de hashtag ictwerkt is.

Een interessante vraag vond ik: "Hoe komen we tot versnelling?" Daaruit spreekt dat er een behoefte is om te versnellen. Interessant wanneer je de opbrengsten van de onderzoeken de revue laat passeren. Daaruit kun je de conclusie trekken dat:
1. heel veel nog niet bekend is;
2. scholen steeds meer en steeds moeilijkere vragen hebben;
3. specifieke groepen kinderen gebaat zijn bij specifieke ICT toepassingen;
4. het is leuk om met een tablet te werken, maar het maakt het vak niet per se leuker.

Dit zou eerder pleiten voor vertraging: met kleine stappen meters maken. De opbrengsten van ongerichte toepassingen van ICT zijn er niet of nauwelijks en gezien de tijdsinvestering aan de kant van de docent en de mogelijke onrust aan de kant van de leerlingen is de opbrengst mogelijk zelfs negatief.

Het doelgericht, en met mate, inzetten van ICT zou de voorkeur genieten. De afstemming tussen kind en educatief computerprogramma blijkt cruciaal in termen van opbrengsten. Kinderen met een geringe concentratieboog zijn gebaad bij educatief materiaal met bewegend beeld waardoor hyperfocus kan optreden: extreme concentratie. Kinderen met een verhoogde stressgevoeligheid hebben baat bij educatieve computerprogramma's met een vorm van verbale responsiviteit: het programma 'praat terug'. Door de tips en feedback die de leerlingen ontvangen krijgen zij een gevoel van structuur het biedt hen houvast.

Kinderen met concentratieproblemen laten werken met materiaal dat statisch is en reageert op acties van de gebruiker kan averechts werken zou mijn hypothese zijn. Evenzo als stressgevoelige kinderen mogelijk last hebben van digitale onderwijstoepassingen die geen feedback geven op het proces waardoor zij zich de vraag zouden kunnen stellen: "Doe ik het wel goed?".

De situatie op (VO) scholen is momenteel dat klassen als homogene groepen leerlingen worden gezien waarbij er een digitale methode klassikale wordt ingezet. De ervaring is dat dit lang niet altijd even goed werkt. Gezien het bovenstaande geen vreemde reactie.

Er werden tijdens de conferentie ook andere inzichten gedeeld, die, gelukkig, eerder om vertraging dan om versnelling vroegen. Dit zijn er een paar:
- Maak weloverwogen keuzes voor didactief gebruik van ICT in de klas.
- Experimenteer met ICT en neem daar de tijd voor.
- Zorg voor inbedding van ICT in de onderwijsomgeving.

En goed onderwijs kan (nog steeds) ook heel goed gerealiseerd worden zónder inzet van ICT. Denk daarbij aan uitdagend onderwijs met als drijfveer 'actief leren' in plaats van 'directe instructie'. De docent bepaalt in overgrote mate het leerrendement van de leerlingen door de keuzes die hij of zij maakt. Daar zou meer aandacht voor moeten zijn: de keuzes die je als docent kunt maken om leerlingen zoveel mogelijk op maat te bedienen.

dinsdag 24 maart 2015

Treinbeelden

In de jaren negentig (van de vorige eeuw) reisde ik veel met de trein. Opkomend fenomeen was toen het 'gratis krantje'. Metro, Spits! en De Dag (en nog meer varianten) zagen in die tijd het licht. Een hele verandering in het treinbeeld.

Later zat ik nog maar sporadisch in de trein, want ik werkte op scholen in mijn woonplaats. En wanneer ik in de trein zat, dan pakte ik natuurlijk een krantje mee. Dat was toen tevens een klacht: die krantjes lagen óveral. Door concurrentie en teruglopende reclame-inkomsten verdween een aantal van die gratis kranten weer van het toneel.

Door mijn nieuwe werk reis ik wederom veel met de trein. En wat valt me op: de gratis krant is er nog. Metro is vrijwel op alles stations aanwezig in grote stapels, de hele dag. Of er worden er meer gedrukt, of er worden er minder meegenomen, maar op elk moment van de dag zijn er voldoende exemplaren voor handen. Wat is er gebeurd?

Welnu, dat is eenvoudig. In de treinen heeft zich een verandering voltrokken. Daar waar reizigers eerst van papier lazen, is het nu al glas wat er blinkt. Men swypt, typt, apt er op los dat het een lieve lust is. Nieuws komt binnen via de lucht: via de provider of de gratis verbinding die NS aanbiedt. En de kranten staan nog meer onder druk. Het treinbeeld is wederom veranderd.

En dan trek ik de lijn door van de trein, via het perron naar buiten, naar de wereld om ons heen. Ook daar is het mobiele netwerk volop in bedrijf en is er vrijwel niemand meer offline. Op een paar plekken na, een soort vrijplaatsen voor de oude media. Scholen noemen we die. Daar hangen bordjes in de gang: verboden voor mobiele telefoons! Daar zijn speciale regels van kracht: een week lang de telefoon in de kluis bij gebruik in de klas!

Is dat in lijn met het doel van scholen: jonge mensen voorbereiden voor hun plek in de maatschappij? Hen vormen en voorzien van kennis, zodat zij de best mogelijk uitgangspositie hebben wanneer zij zelfstandig worden?
Is dat dan mét of zónder mobiele kennisdrager? Mét of zónder ongelimiteerd communicatiemiddel? Mét of zónder draadloos samenwerkingsapparaat?

Ik denk driemaal mét.

Het onderwijs verliest de verbinding met de wereld, zo lijkt het. En zo was het ook met de papieren krant in de trein. Langzaam maar zeker laten we ze links liggen en stappen over op het alternatief. Voor scholen een signaal mee te bewegen en op zoek te gaan naar alternatieve manieren om het onderwijs in te richten. Ik help ze graag de overstap te maken!

donderdag 26 februari 2015

Vervangt een notebook ooit het notitieblok?


Deze vraag stelde ik me na het lezen van een AD artikel dat ik toegezonden kreeg. Daarin kwam de directeur van Google Education aan het woord. Het artikel heeft als titel “De tablet is het nieuwe potlood”. Een interessant statement.

Tegelijkertijd zijn er andere ontwikkelingen. Kortgeleden namelijk was ik in Londen, op de BETT Show 2015. Daar woonde ik een presentatie bij van Microsoft waar nadruk werd gelegd op een opkomend probleem. Namelijk hoe verhouden schrijven en werken met digitale leermiddelen zich tot elkaar.

Wanneer je de redenering van de directeur van Google Education verder trekt, iets wat overigens niet in het artikel stond, dan zou je erop uit kunnen komen dat mensen nauwelijks meer schrijven. Dat alles via getypte, of 'geswipte', tekst gaat. Een voorbeeld is dit stukje: ik zit het te typen.

Maar waarom nog de handen gebruiken? Een alternatief is gesproken tekst omzetten naar tekst, een techniek die al langer bekend is (nieuwe ontwikkeling van Skype: gesproken tekst direct vertalen en naar gesproken tekst omzetten).

Microsoft zet in op de eerste twee werelden: die van de interactieve ‘surface’ gecombineerd met schrijven met een pen. Dat die laatste nog veel aandacht behoeft is wel duidelijk wanneer je zo’n stiftje ter hand neemt en duidelijk probeert te schrijven op een glad oppervlak. Dat valt lang niet mee. Dat pennetje, daar gaan ze bij Microsoft mee aan de slag. De wetenschappelijke onderbouwing werd tijdens de presentatie wel gegeven.

Wat zal het worden? Een tablet met een interactieve, intelligente pen die het handschrift verbetert? Gesproken tekst omzetten in geschreven tekst? Of blijven schrijven met pen en papier wanneer met het oog op ontwikkeling van hersenfuncties en fijne motoriek? Of iets wat we ons nog niet kunnen voorstellen?


Voor nu houd ik het bij typen. En straks een boodschappenlijstje krabbelen (en hopen dat ik het nog kan lezen in de supermarkt…)

maandag 5 januari 2015

De Deskundige Docent


Kennisnet vat het als volgt samen. "Om ict op een effectieve manier in te zetten, is deskundigheid onmisbaar. Leraren moeten over voldoende ict-vaardigheden beschikken om deze op een juiste manier in te kunnen zetten." Binnen deskundigheid zijn verschillende onderdelen onderscheiden: inhoud, techniek en didactiek.

Inhoudelijke deskundigheid
Een docent is deskundig op het gebied van zijn of haar vak. Dit is een aanname, maar een aan zekerheid grenzende aanname. De vraag is wel of docenten deskundig zijn om de vakinhoud anders uit te dragen dan via de conventionele, folio werkvormen. En in het verlengde daarvan: zijn docenten zelf bekwaam in de 21st century skills?

Technische deskundigheid
Met het laatste bedoel ik niet de vraag of docenten voldoende onderlegd zijn om met draden en snoeren aan de gang te gaan en zelf een digitale leeromgeving creëren. Dat is voorbehouden aan een selecte groep enthousiastelingen met affiniteit voor technische ontwikkelingen. Voor docenten zou het beoordelen van technologische noviteiten op bruikbaarheid voldoende moeten zijn, maar voelen docenten zich voldoende eigenaar van het onderwijsproces? Hebben zij invloed op of zeggenschap over vernieuwingen binnen hun school?

Didactische deskundigheid
Voortvloeiend uit de vorige vragen: bekwaam in 21st century skills en eigenaarschap kom ik op de 'core business' van docenten: leerlingen laten leren. Ik noem het expliciet zo, want 'les geven' of 'onderwijzen' krijgt pas betekenis wanneer leerlingen leren. Voor docenten is het de uitdaging om de juiste wijze te vinden, de juiste didactische strategie. Het is niet verrassend om te stellen dat wanneer je een didactische strategie kiest en rekening houdt met het belang om aan te sluiten bij de belevingswereld van de leerling (Marzano), dan kun je er niet omheen dat ICT een rol moet hebben. Leerlingen (of jonge mensen in het algemeen) groeien op in wereld die bol staat van technologie (kennismaatschappij), anders dan hoe docenten zijn opgegroeid (industriële maatschappij). Dit heeft invloed op de mindset van docenten ten aanzien van technologie in vergelijking met die van leerlingen. Zijn docenten zich hier voldoende van bewust? Weten zij hoe leerlingen denken over ICT in het onderwijs (vgl. motivatietheorie van  Deci en Chandler)?

De docent die deskundig is binnen 'Leren & ICT' is dit op drie terreinen: inhoud, techniek en didactiek. Daarnaast beheert hij of zij de vaardigheden die van belang zij voor de leerlingen om te kunnen functioneren in de kennismaatschappij (21st century skills). Om de leerlingen met ICT op de juiste manier te kunnen bedienen is de keuze van de juiste toepassingen in relatie met de inhoud van belang... In het volgende blog een praktische handreiking hiervoor.

maandag 15 december 2014

ICT? Not in my backyard!

Onderwijs en ICT komen steeds vaker samen in innovatieve trajecten op scholen. Gestimuleerd door de overheid en gefaciliteerd door bijvoorbeeld een instelling als Kennisnet gaan voortrekkers aan de slag om implementatie in de klaslokalen voor elkaar te krijgen. Veelal volgens het schema ‘vier in balans’: visie, deskundigheid, inhoud en toepassingen en infrastructuur. Ondanks de goede wil strandden trajecten in een teleurstelling.

Volledig?
Vanuit de school bezien is deze onderverdeling in vier segmenten een volledige. Aan de voorwaarden voor de organisatie wordt voldaan, maar de volgorde is bepalend voor het succes: beginnen bij de visie en eindigen bij de techniek. Door eerst de technische vraagstukken aan te pakken en af te sluiten met de visie organiseert men een teleurstelling. De praktijk is dat dit vaak gebeurt.

Not in my backyard!
Deze teleurstelling uit zich in een negatieve houding: ik heb nergens om gevraagd en ik zit er niet op te wachten. Een logisch gevolg, want door bij de techniek te starten zijn de deelnemers van het veranderingsproces niet betrokken geraakt. Wie had er ook alweer gevraagd om meer ICT in de les?

Leerlingen?
Waren het de leerlingen? Leerlingen schatten hun eigen ICT vaardigheden hoog in: ze zijn digitaal gemobiliseerd en werken dagelijks autonoom volgens het principe ‘bring your own device anywhere’. Een school die hun communicatiemiddel wil incorporeren in het onderwijsprogramma is niet per definitie in hun ogen de beste school. Liever met rust laten, dat is hun wens, want ze regelen ICT zaken zelf wel.

Docenten?
De docenten dan, hebben die profijt van ICT in de les? Docenten lopen het risico op de een of de andere manier te maken te krijgen met een ruil: (een deel van de) boeken eruit en een ‘device’ erin. Dat is geen overtuigende route. Docenten willen namelijk niet ruilen, ze willen kiezen. Ze willen bepalen wat in specifieke situaties kan werken, en wat niet. Dat kan alleen in een omgeving waar experimenteren en overleg zijn toegestaan. Zo’n omgeving verdraagt geen extern opgelegde keuzes of overhaaste beslissingen.

Het landschap
Een verandering heeft kans van slagen wanneer een groep de verandering omarmt en de inschatting maakt dat het iets positiefs brengt. Het moet aan het einde van de rit meer opleveren dan dat het kost. Dat principe geldt niet alleen voor alle technologische ontwikkelingen, maar ook voor veranderingen in een klas. Een kleine groep (innovators & early adaptors) is bereid om het avontuur aan te gaan, maar de groep wordt pas groter wanneer de succesverhalen komen.

De horizon
Wil je verder komen dan de achtertuin? Ga in gesprek met de betrokkenen (leerlingen en docenten) en bepaal met hen de visie (waarom ga je op reis?). De visie is het kompas.

Volgende halte: deskundigheid…